25 juli 2026
Wat mag er wettelijk op de website van een tandartspraktijk?
Een vraag die ik geregeld krijg van collega’s: mag ik dat wel zetten op mijn site? Het antwoord is vaker ja dan tandartsen denken — en op één punt vaker nee dan hun webbureau denkt.
Dit is geen juridisch advies. Het is een overzicht van het kader waarbinnen ik werk wanneer ik een praktijkwebsite bouw, met de bronnen erbij zodat u het zelf kunt nakijken.
Het absolute reclameverbod bestaat niet meer
Veel collega’s werken nog altijd met een regel in het hoofd die al jaren niet meer geldt: tandartsen mogen geen reclame maken. Die regel stond in de wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging, samen met het koninklijk besluit van 1 juni 1934. Beide zijn opgeheven door de wet van 30 oktober 2018.
De aanleiding was een arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2017 (zaak C-339/15, Vanderborght). Een Belgische tandarts had een website met informatie over zijn behandelingen en advertenties in lokale bladen geplaatst. Het Hof oordeelde dat een algemeen en absoluut verbod op commerciële communicatie onverenigbaar is met de Europese richtlijn inzake elektronische handel. België moest zijn wetgeving dus vervangen door iets minder verregaands.
Een detail dat zelden vermeld wordt: de strafvervolging tegen Vanderborght startte na een klacht van het Verbond der Vlaamse Tandartsen. De zaak die het reclameverbod uiteindelijk onderuithaalde, is dus binnen het beroep zelf begonnen.
Wat er sindsdien geldt: praktijkinformatie
Het huidige kader staat in afdeling 9 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg — kortweg de Kwaliteitswet. Artikel 31 voert een nieuw begrip in: praktijkinformatie.
Praktijkinformatie is elke vorm van mededeling die er rechtstreeks en specifiek toe strekt een zorgverlener te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk — ongeacht plaats, drager of techniek. Uw website valt daar volledig onder. Uw Google Bedrijfsprofiel ook. Uw naambord, uw Facebookpagina, en de sponsorvermelding op het truitje van de plaatselijke voetbalploeg eveneens.
Artikel 31, §1 begint met de toelating: de zorgverlener mag praktijkinformatie kenbaar maken aan het publiek. Paragraaf 2 legt daar voorwaarden op:
- De informatie moet waarheidsgetrouw, objectief, relevant en verifieerbaar zijn, en wetenschappelijk onderbouwd.
- De informatie mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen, en mag niet tot doel hebben patiënten te ronselen.
- De praktijkinformatie vermeldt de bijzondere beroepstitel(s) waarover de zorgverlener beschikt.
Dat derde punt is een positieve verplichting en wordt makkelijk over het hoofd gezien. Werkt er in uw praktijk een houder van een bijzondere beroepstitel — parodontologie, orthodontie — dan hoort die titel op de site te staan. Volgens de toelichting van de FOD Volksgezondheid sluit die bepaling overigens niet uit dat u ook informeert over opleidingen waarvoor géén bijzondere beroepstitel bestaat; u mag ze alleen niet als titel presenteren.
Dat is een aanzienlijk soepeler regime dan het oude verbod. Maar het is geen vrijbrief, en het woord verifieerbaar doet meer werk dan het op het eerste gezicht lijkt.
Waar de meeste praktijksites de mist ingaan
Superlatieven zonder onderbouwing. “De beste tandarts van de regio”, “de meest geavanceerde technieken”, “pijnloos behandelen”. Geen van die uitspraken is objectief of verifieerbaar. Ze zijn ook zelden nodig: een patiënt die twijfelt, wordt overtuigd door duidelijkheid, niet door bijvoeglijke naamwoorden.
Voor-en-na-foto’s. Juridisch het meest betwiste terrein. Een geselecteerd resultaat presenteren zonder context — uitgangssituatie, behandelduur, kostprijs, kans op hetzelfde resultaat bij een andere patiënt — is moeilijk te rijmen met “objectief en verifieerbaar”, en komt snel in de buurt van aanzetten tot behandeling. Wie deze foto’s toch gebruikt, doet dat best klinisch gedocumenteerd en zonder wervende omkadering.
Kortingen en acties. Een “gratis eerste consultatie” of een tariefactie leest als het ronselen van patiënten. Bovendien geldt een afzonderlijk verbod, buiten de Kwaliteitswet om: artikel 127, §2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verbiedt publiciteit waarin de kosteloosheid van de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen wordt vermeld, of waarin verwezen wordt naar de tegemoetkoming van de verzekering in de kosten ervan. Dat verbod is geformuleerd als geldend in alle gevallen.
Verouderde teksten. Een pagina die nog vermeldt dat u geconventioneerd bent terwijl u dat niet meer bent, is niet waarheidsgetrouw. Dit is de meest banale en meest voorkomende inbreuk, en ze ontstaat vanzelf zodra een site drie jaar niet meer is aangeraakt.
De bepaling die vrijwel niemand kent
Naast de Kwaliteitswet geldt artikel 9, §4 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen. Dat artikel verbiedt reclame voor het publiek voor implanteerbare medische hulpmiddelen — én reclame voor de handelingen die bestaan uit het plaatsen of inplanten ervan.
Hier wordt het juridisch interessant, en eerlijkheidshalve ook onzeker. De bepaling is nooit geschrapt: ze staat vandaag nog altijd in de wet, met strafsanctie via artikel 16bis, §2, 5° van diezelfde wet. Maar Belgische rechtspraak heeft, in het verlengde van het arrest-Vanderborght, geoordeeld dat het algemene en absolute karakter van dit verbod strijdig is met de artikelen 49 en 56 VWEU — de vrijheid van vestiging en van dienstverrichting — precies omdat het tandartsen die zich toeleggen op implantologie elke mogelijkheid ontneemt zich bekend te maken. Een rechter kan de bepaling dus buiten toepassing laten.
U staat met andere woorden voor een tekst die formeel geldt maar waarvan de absolute toepassing onderuit is gehaald. Dat is geen comfortabele positie om een praktijkwebsite op te bouwen.
Wat in de praktijk wél consequent gehandhaafd wordt, is het vermelden van merknamen van implanteerbare hulpmiddelen: het FAGG aanvaardt dat niet bij controle. Het soort hulpmiddel benoemen mag wel.
De verstandige lijn voor een praktijksite is daarom niet “geen woord over implantaten”, maar: informeer, promoot niet. Zakelijke patiëntenvoorlichting over wat een implantaat is, wanneer het geïndiceerd is en wat de alternatieven zijn, staat er heel anders voor dan een verkooppagina met een oproep tot actie, prijsvergelijkingen, merknamen van implantaatsystemen of wervende taal over het herwinnen van uw glimlach.
Ik durf te zeggen dat de meeste tandartswebsites in Vlaanderen dit onderscheid niet maken. Niet uit onwil: het bureau dat de site bouwde, kende de bepaling niet, en de tandarts ging ervan uit dat het bureau dat wel zou weten.
Wie controleert dit eigenlijk?
Anders dan artsen en apothekers hebben tandartsen in België geen Orde. Er bestaat wel een gemeenschappelijke deontologische code, onderschreven door de Belgische tandartsenverenigingen; het VVT is statutair verplicht toe te zien op de naleving ervan door zijn leden. Maar er is geen tuchtcollege met de bevoegdheden van een Orde.
De handhaving loopt daardoor via de Kwaliteitswet zelf. Bij een vastgestelde inbreuk wordt in eerste instantie een verbeterplan opgelegd, uit te voeren binnen een bepaalde termijn. Bij herhaalde schendingen kan de zorgverlener geschorst worden of kan zijn visum worden ingetrokken.
Het reële risico voor de meeste praktijken is dus niet een boete. Het is een klacht van een concullega, gevolgd door de verplichting om binnen een termijn een website aan te passen die u zelf niet meer kunt bewerken zonder uw bureau te betalen.
Een korte controlelijst
Loop uw eigen site eens door:
- Staat er een superlatief op dat u niet met een bron kunt staven?
- Belooft een tekst ergens een resultaat, in plaats van het te beschrijven?
- Staat er ergens een korting, een gratis consult, of een verwijzing naar terugbetaling als argument?
- Leest uw implantatenpagina als voorlichting, of als promotie?
- Klopt uw conventiestatus nog?
- Kunt u dit alles zelf aanpassen, of moet u daarvoor iemand bellen?
Die laatste vraag is geen juridische, maar ze bepaalt wel of u de andere vijf ooit in orde krijgt.
Dit artikel geeft een algemeen overzicht en is geen juridisch advies. Het is bijgewerkt tot juli 2026. De aangehaalde bronnen zijn publiek raadpleegbaar:
- Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, art. 31 (afdeling 9, “Praktijkinformatie”), van kracht sinds 1 juli 2022
- Wet van 30 oktober 2018, die de wet van 15 april 1958 en het KB van 1 juni 1934 opheft
- Wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, art. 9, §4 en art. 16bis, §2, 5°
- Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, art. 127, §2
- HvJ 4 mei 2017, C-339/15 (Vanderborght)
- FOD Volksgezondheid, “Publiciteit door gezondheidszorgbeoefenaars”
Voor een concrete situatie raadpleegt u best uw beroepsvereniging of een jurist gespecialiseerd in gezondheidsrecht.